Helpen in Lesbos 2

Mijn reis naar Lesbos was één van mijn bijzonderste ooit. Ik ben gister teruggekomen en merk dat problemen die me voor vertrek dwars zaten me minder doen. Of dit zo blijft weet ik niet. Ik ga morgen weer werken en het ‘normale’ leven in. Wat zeker weten níet is veranderd is mijn ongeduld…Daarom zoals beloofd en iets vroeger dan verwacht: deel 2 van de Vluchtelingen Crisis: 2016 Editie!

Mijn vorige verhaal eindigde bij mijn eerste contact met vluchtelingen. Het uitdelen van zo’n 200 knuffels duurde ongeveer een uurtje. Zwijgend reden we terug naar Molyvos. Het rooster van de volgende dag was bekend en ik had, net als veel anderen, geen dienst. Men had besloten vanwege de rust met een flinke groep het strand te gaan schoonmaken. Bij landingen blijft vaak afval en zwemvesten achter. Toen het druk was is vaak geen tijd om dit op te ruimen. Nu wel en werd gevraagd om vrijwilligers. Ik was inmiddels permanent chagrijnig maar besloot toch mee te gaan. Vanwege de lange dagen en vooral korte nachten besloot ik vroeg te gaan slapen. En zo belanden we bij:

Dag 10

Om 7 uur werd ik wakker en de app stond vol! Er was een boot en J. appte vanaf de reddingsboot dat ze een andere boot aan het begeleiden waren. En ik ging afval rapen! Ik appte meteen de planner, mocht ik naar het kamp? Ik wilde zo graag iets doen. Hij begreep me en vond het geen probleem. De dienst was al gewisseld, ik kon dus met niemand meerijden. Ik vroeg om een lift maar toen er na 10 minuten geen reactie was ben ik gaan lopen. Al snel stopte een auto die me voor een stukje meenam. Na een klein stukje verder lopen kwam een auto van het Rode Kruis langs en die namen me mee naar het kamp. Eenmaal daar aangekomen besloot ik om niet naar het viewpoint te gaan. Die hadden me hopelijk gezien en zouden me waarschuwen bij een landing. Om volstrekt onduidelijke redenen besloot ik geen appje te sturen. De mensen waren midden in de nacht aangekomen en lagen te slapen in de wachtruimte. Ik kon dus niks voor ze betekenen. De magazijntent op het kamp moest verplaats worden dus ik besloot te helpen met tillen. Na zo’n 2 uur zag ik ons busje voorbij rijden met achter het stuur K. die me geschrokken aankeek. Ik had haar een paar keer gesproken hoe graag ik wat wilde doen. Kort daarna kreeg ik een appje: ”je gaat me haten maar ik kom net van een landing. Ik wist niet dat je hier was”. Shit, weer gemist.

Op dit soort momenten ontstaat automatisch een tweestrijd. Mijn teleurstelling is niet gerechtvaardigd, het draait immers niet om mij. Maar toch baal ik van het niks doen.  Ik besloot om met de wisseling van de dienst mee terug te gaan. J. en ik wilde weer naar Mytilini om de rest van de knuffels uit te delen. We kregen helaas geen lift geregeld met 2 plekken. Dus J. gaat alleen. Ik ben het even zat, iedereen lijkt wat te doen gehad te hebben en ik voel me nog steeds nutteloos. Ik baal nog het meeste van dat ik zo baal, ik lijk wel een klein kind wat zich aanstelt. J. appt me vanuit Mytilini. Hier is het druk, hij adviseert me om hierheen te komen. Het is een gok, er zijn daar veel meer vrijwilligers. Ik hoor verhalen van landingen met meer vrijwilligers dan vluchtelingen. Dat lijkt me ook niet de bedoeling, ik wil wel wat bijdragen, niet alleen aapjes kijken.

Ik besluit dat ik toch ga vragen of ik erheen mag. Het schijnt daar echt drukker te zijn, ik heb dan in ieder geval de hele missie op Lesbos gezien én het bespaart me een taxi rit want het vliegveld is in Mytilini. Het ligt zelfs aan de kust waar wij patrouilleren.

Dag 11:

Vandaag wordt een drukke dag. Ik heb namelijk 2 diensten. Mijn dag is dan als volgt: 04:45 opstaan. 5:00 ontbijt. 5:25 vertrek. 6:45 start dienst. 13:00 einde dienst. 13:45 slapen. 17:00 opstaan en eten. 18:30 meeting. 19:15 start dienst. 01:00 einde dienst.

Vandaag is drukker want tussen 14:00 en 17:00 is een MCI-drill. Dat houdt in dat ik als een speer moet lunchen en klaar moet zijn voor een telefoontje. MCI staat voor Mass Casualty Incident. Wanneer een boot omslaat en er veel drenkelingen zijn wordt er opgeschaald. Iedereen gaat naar de haven waar de kustwacht en reddingsboten de drenkelingen brengt. Daar zijn een aantal zones:

Groen: walking and talking

Geel: niet-levensbedreigend

Rood: reanimatie

Blauw: dood of stervend

Ho-ly shit. Dood of stervend?! Artsen moeten de beslissing maken over wie nog een kans maakt. Mijn taak kan zijn om hierbij aanwezig te zijn en familieleden te ondersteunen. Soms mis ik wat nekharen bij het scheren van mijn hoofd en ze staan allemaal omhoog. Daarnaast zijn er voor het fieldteam taken in alle andere zones. Tijdens de drill gaan we dit allemaal oefenen. We hebben nu de luxe van weten dat er iets komt en om 14:00 zit ik met de pizza van gisteravond in mijn buik klaar. P., de planner belt en zegt dat ik de bus moet halen en laden met crash-crates en zuurstof. Ik heb er nog nooit in gereden en verheugde me erop om niet te hoeven rijden in de smalle Griekse straten. Vette pech, ik pak de bus en begin met laden, 5 kratten en 3 zuurstof tanks. Eerste leerpunt: meer mensen moeten dit doen. Ik ren acht keer een trap op en af en rij zo voorzichtig en snel mogelijk naar de locatie. Daar lossen en krijg ik een taak toegewezen. Ik kom in de rode zone.

Ik identificeer mezelf als een non-medic met BLS (Basis Life Support). Al snel komt de eerste acteur, een schreeuwende vrouw met een baby-pop. Ik denk aan O., het kleine mannetje wat bij mijn vriendin en haar man thuis zit en de tranen springen in mijn ogen. Dit is maar een oefening en een pop! ”Focus op je taak” bijt ik mezelf toe. Ons team meld dat we klaar zijn, precies op tijd voor het volgende slachtoffer, een volwassen drenkeling. Ook een acteur. Hij ademt moeilijk. Ik knip zijn rugzak los en verwijder kleding. De arts neemt de leiding en ik begin met compressies. Dan een fluit. End-ex zoals ”we” bij de Natres zeggen. We evalueren en draaien het scenario nog een keer. Ik vind het wel best. Ik moet nog naar het hotel en eten.

De meest-flexibele-planner-ooit heeft mij akkoord gegeven om naar Mytilini te gaan. Ik vertrek morgenavond. Dat betekent dat mijn kamer in de ochtend leeg moet zijn. Als ik nog een dienst wil hebben in de ochtend moet ik dus mijn tas inpakken. En daar heb ik precies een kwartier voor. Ik prop al mijn kleren in mijn tas en vervolgens de 6e pita gyros in een week in mijn mond. Na de meeting ga ik naar de planner ‘mijn tas is ingepakt, ik kan dus gewoon een dienst draaien in de ochtend’. Hij grinnikt. Ik heb zelden zo’n competent persoon meegemaakt, 24 jaar oud, spreekt zes talen en heeft tijd voor mijn gezeur. Op weg naar de dirt road krijg ik het rooster. Morning in het IRC camp.

Ik kan uitslapen met een dikke 4 uur slaap! Tijdens de dienst gebeurt er niks interessant al is het wel erg gezellig, wat gelukkig vaker voorkomt. In het begin jagen we een visser nog de stuipen op het lijf door hem te beschijnen met mijn erg sterke zaklamp. Ik dacht even dat we een landing hadden…

Dag 12:

Mijn laatste dag in Molyvos. Het is allemaal zo snel gegaan, bedenk ik me. Ik hoop dat ik in Mytilini nog iets kan doen maar begin me neer te leggen bij een ‘tour’ van op wacht staan in plaats van echt helpen. Terwijl ik het kamp op loop staat er een man die ik niet ken bij de waiting-area. ” Het zal toch niet….” ik loop onze tent in. De verpleegkundige, een militair, kijkt me slaperig aan. ”pff, om half twee een landing gehad”. Ik ontplof bijna, menen ze dit nou, een half uur na mijn dienst?! Even denk ik dat ik ‘s werelds meest beroerde gevoel voor timing heb.  Ik heb een paar minuten nodig om mezelf te herpakken.  Het is dan wel geen landing, maar wie weet wat ik voor deze mensen kan betekenen.

Ik sta op en ik bereid mij voor op mijn taak. In mijn linkerzak gaan de knuffeldoekjes die een collega heeft gedoneerd, in mijn rechterzak belleblaas en om mijn hand een handpop. Een tikkeltje zenuwachtig loop ik de tent in. Overal zie ik grijzen bulten liggen. Mensen onder een UNHCR-deken. Echte mensen. Met een vader en een moeder. Met hoop, en dromen en angsten en heel veel onzekerheid. Voor de zoveelste keer springen tranen in mijn ogen en ik ga even rustig zitten. Een klein meisje kijkt naar me en ik zwaai. Ze blijft staan. Maar mijn handpop van een muppet vind ze wel interessant. Ik loop langzaam op haar af. Met een bankje tussen ons in kniel ik en ik glimlach vriendelijk. Dat blijft een erg vreemd gevoel voor deze beroeps-chagrijn. Het meisje lacht. Ze pakt de pop en giechelt als ik met de pop in haar neus en nek ”bijt”. Dan komt de belleblaas erbij en de gigantische bruine ogen worden nog groter. Schaterlachend rent ze achter de bellen aan. Haar vader komt erbij. Ik kan geen woord Farsi en hij geen Engels, maar het is goed. Ze spelen samen met de bellen en ik blaas het halve buisje er doorheen. Ook andere kinderen worden wakker.

Er zijn 48 volwassen en 17 kinderen aangekomen. De jongste was 4 maanden. Andere kinderen worden wakker. Sommigen lopen weg als ik bij ze in de buurt kom andere rennen meteen achter de bellen aan. Na een paar uur is het voorbij. Het registratiekamp, Moria, is klaar voor ze. Met busjes gaan ze. Het hele proces komt onnodig onvriendelijk op me over. Ik ben de enige van mijn organisatie die niet druk is. Ik schud zoveel mogelijk handen en zwaai naar alle kinderen. Zelfs de kinderen die eerst van me wegliepen, later bleven staan en nog later weer lachten, zwaaien enthousiast terug. Een vrouw blaast een kus naar me. Ik sta tussen tientallen andere vrijwilligers en betaalde krachten van andere organisaties, maar ben de enige die lacht en die zwaait. Als de laatste bus wegrijd draai ik met tranen in mijn ogen naar een collega die komt aanlopen. Ze kon het niet aan om deze mensen te zien gaan. In deze ene ochtend hebben we ze leren kennen zonder een woord te wisselen. Wij hebben een beter beeld van de ellende die ze tegemoet gaan en we kunnen niks meer doen om ze te helpen.  Maar het voelt goed, kinderen hebben gelachen en ouders daardoor ook. Ze weten dat er in Europa in ieder geval een paar vriendelijke gezichten zijn.

In het hotel wacht ik een paar uur en rij dan met iemand anders naar Mytilini. Daar is een feest voor het afscheid van een paar long-term vrijwilligers. We verblijven in een oud herenhuis, het plafond van mijn kamer is de vloer van de keuken/woonkamer. Ik hoor alles maar val als een blok in slaap. Ik deel het tweepersoonsbed met een andere vrijwilliger maar het maakt me niet uit. Ik ben in Mytilini, als het gaat gebeuren gebeurt het hier.

Dag 13:

Begint om 05:00. Mytilini heeft een klein team en we doen bijna alles samen.  In de ochtend draaien we een dienst op het strand, na de lunch gaan we kleding halen in een opslag terwijl 3 medici naar ‘Silver Bay’ gaan. Daar krijgen de aller kwetsbaarste mensen maximaal vier dagen om bij te komen. Daarna gaan we naar de haven om de kleding uit te delen, thuis koken en slapen.

Om 5 uur sta ik relatief snel onder de douche. Bij het ontbijt hoor ik dat er om half 4 een landing naast ons huis is geweest. ”Waarom heeft niemand me wakker gemaakt” wil ik schreeuwen, maar ik doe het niet. Ik was niet nodig dus dan heeft het ook geen zin dat ik erbij was. Om 5:45 rijden we weg. Met een grote mobiele medische post en 2 auto’s. Na een minuut passeren we vrijwilligers, we stoppen en uit automatisme staar ik naar de zee. Plotseling zie ik een flauw lichtje. De lifeguards van de andere organisatie zien het ook en lopen de zee in. Het blijkt een leeg reddingsvest te zijn.

We rijden verder naar het viewpoint. Een onverhard stuk van ca. een half voetbalveld. Dit ken ik, wachten. We kijken wat door de nachtkijker. Maken een praatje met de rest. Een andere organisatie bestaat uit maritiem beveiligers. Ze werken twee maanden op zee en hebben dan een maand vrij. Die brengen ze door op Lesbos. Opeens hebben we haast. Dit zijn momenten die ik leuk vind, even een ritje breekt de dienst maar ik weet inmiddels dat het nergens toe leidt. Dan wijzen mensen me op een flauw lichtje. Een boot. Een boot! Collega’s stoten me lachend aan. ‘Je krijgt je landing’. Zij zagen al dagen de frustratie van niks doen.

We komen samen op een niet ideaal stuk, namelijk weer het viewpoint. Dat ligt iets hoger dus om bij het water te komen moeten we bijna 3 meter naar beneden en de mensen naar boven. Een landing ziet er rommelig uit maar kent een duidelijk systeem. Twee rijen van lifeguards gaan het water in. Daar tussen moet de boot komen. Zij zetten de motor uit en nemen controle over de boot en voorkomen dan mensen de zee in springen. Ze brengen de boot zo dicht mogelijk bij land. Daar staan ook 2 rijen vrijwilligers. Binnen deze corridor gaan mensen 1 voor 1 de boot af. Vrouwen en kinderen eerst. Kinderen blijven bij de eerste vrijwilliger en geef je niet door. Ze hebben al stress genoeg en binnen 10 seconden 5 keer van handen wisselen is niet goed. Het zou voor zich moeten spreken dat je een kind meteen teruggeeft aan vader of moeder maar helaas moet dat nog vaak uitgelegd worden.  Vooraan staat een medic die triage doet. Mensen die medische zorg nodig hebben gaan meteen door naar achter waar de artsen met crash-bags klaar staan.

Ik vond een plek vooraan de corridor. De boot was nog een paar meter van land en reddingsvesten gingen in vreugde overboord. De vrijwilligers barstte in applaus uit. De vluchtelingen joelde. Tranen stonden in mijn ogen. Ik vroeg me af of ik ooit nog echt ging huilen. Veel tijd had ik niet voor al deze emotie, hiervoor was ik gekomen. De eerste opvang, het vriendelijke gezicht van Europa. De eerste mensen kwamen aan land, lachend, huilend, stil en uitbundig.

Ik zag een vrijwilliger in een waadpak met een kind staan. Hij moest in het water blijven. Ik nam het kind van hem over. Een medic controleerde zijn hartslag. Hij keek wat vreemd uit zijn ogen maar ze waren open. Goed genoeg voor nu. Ik doe een stap naar achter en kijk of ik een vader of moeder zie. Het jongetje, negen of tien, doet zijn ogen dicht. ‘Hey buddy, you still there?’ vraag ik en schud zachtjes. Niks. ‘Ja Zef’ denk ik ” en nu? Tijd om in paniek te raken?”. Ik besluit dat het beter is van niet. Ik roep om de medic. Een Nederlandse ambulancebroeder, hij grijpt de pols van het jongetje. Nog steeds een hartslag, hij schuift een ooglid open, geen idee waar hij op let. Zijn reddingsvest moet uit. Dat doen we samen. Nu zien we zijn verkrampte handen, het jongetje is gehandicapt. Dan gaan zijn ogen weer open. Pffff ‘of je dat niet nog een keer wil doen’ zeg ik van binnen tegen het jongetje. De medic gaat terug naar de triage. Ik loop met de jongen door naar boven en geef hem over. Niet zoals het hoort maar in deze situatie het meest praktisch. Ik kan beter beneden blijven.

Als de boot leeg is ga ik ook naar boven. Helpen met wisselen van kleding, uitdelen van water. Mensen een hand geven, welkom heten. De bus komt om mensen naar het kamp te brengen. Als de laatste mensen instappen komt er weer een boot. Die heeft op dezelfde plek gemikt. Alles begint van voor af aan. De corridor, het applaus, de emotie, de mensen, de geur en de ontlading van er zijn. Het voelt alsof ik een half uur bezig ben maar we zijn bijna twee uur verder. Het is nu even rustig. Het is mooi weer geworden en we zitten rustig in de zon. Ik ben blij. Ik heb eindelijk íets kunnen doen en mijn egoistische verlangen van een unieke ervaring is vervuld. Ik pak de verrekijker en zie een zwarte stip. ”ehhh weten we al van die boot daar?”. Anderen zien het ook. Of ik de eerste was die hem zag weet ik niet. Ik stel voor dat we aannemen van wel.

De boot is nog een eind uit de kust. Dat geeft ons de kans hem naar een gunstiger stuk te begeleiden. Met een lichtfakkel en reddingsdeken die reflecteert geven we aan waar ze heen moeten. Voor deze boot een eitje want hij wordt begeleid door een reddingsboot. Inmiddels ken ik de drill, corridor, boot leeg, helpen op het strand. Ik heb veel kinderen en baby’s vast. Ze zijn allemaal nat. De boot is snel leeg. Ik ga kijken wat ik kan doen en eindig bij een klein meisje. Ze is denk ik 4 jaar oud en doorweekt. Ze staat en kijkt voor zich uit. Ik glimlach en zeg hallo. Ze reageert niet. Ik zoek naar een vrouwelijke vrijwilliger. Ik wil dit meisje niet uitkleden. Ik heb de verhalen ook gelezen van vrouwen die overlijden, omdat hun man niet toestond dat een mannelijke arts ze zou helpen. Wat zou een vader doen als ik hier zijn dochtertje zou staan uitkleden?! Er komt een vrouw bij me. Ik uit mijn zorgen. Ze lacht en zegt ‘you’re fine, don’t worry’.

Het duurt me allemaal sowieso veel te lang dus ik ga helpen. Shirt uit, het meisje heeft over haar hele borst en rug kippevel en staat te rillen in de volle zon. Ik voel haar rug en nek, die zijn warm en rillen is beter dan niet rillen. Broek uit. Het meisje staat nu in haar onderbroek. We wikkelen haar in een reddingsdeken en ik ren naar onze bus voor een droge onderbroek. Ik draai me om terwijl die aangaat en help dan met een meisje inpakken. Ze laat alles gebeuren. Doet haar voet omhoog dus ze is er nog wel bij. Ze lacht geen één keer. Ik heb er helaas geen tijd voor. De volgende boot komt! Op hetzelfde stuk, dat scheelt rennen.

Deze boot wordt niet begeleidt door een reddingsboot en is nog 5 minuten uit de kust. Vanaf ver weg komt met een rotvaart een boot van de kustwacht. ”Wat willen ze nou?” vragen we elkaar. Het heeft geen enkele zin ze nu nog te onderscheppen, de mensen begrijpen niet wat er gebeurt als de kustwacht komt dus het levert alleen maar stress op. De kustwacht komt net te laat, ze blijven 100 meter uit de kust liggen en drukken langdurig op hun toeter. Stoer hoor, vluchtelingetje pesten. De militair maar vooral de mens in mij kookt. Schoften! De sfeer op deze boot is anders. Mensen komen totaal overstuur aan land. Als een van de eersten komt een vrouw met een dikke buik aan land, duidelijk zwanger. ” Baby” roept ze overstuur. Ze gaat meteen naar de arts. Er loopt een gepensioneerde gynaecoloog tussen de vrijwilligers, hij sluit aan in onze bus.  Later blijkt dat alles goed gaat met haar baby, dat is wel eens anders geweest laat ik me vertellen.

Ik kijk op mijn horloge, het is 12:55. Onze dienst zit er bijna op. Ik word bewust van de enorme trek die ik heb. Tijd voor de lunch en de tweede helft van de dag!

 

 

2 thoughts on “Helpen in Lesbos 2

  1. Wat apart dat je zo lang niets hebt kunnen doen, of tenminste niet datgene waarvoor je kwam. Fijn dat je uiteindelijk wel hebt kunnen helpen. Niet zozeer fijn dat mensen in die situatie kwamen, maar wel voor jou, dat je het echt hebt kunnen ervaren. Echt hebt kunnen meemaken waarom die hulp dus wel echt nodig is.
    Ben benieuwd naar het volgende verhaal, alhoewel we al op dag 13 zitten, dus heel veel kan er niet meer komen, volgens mij.

    1. ja toen kwam ik mezelf best wel tegen, stom eigenlijk. Voor mijn gevoel kwam er nog enorm veel in die laatste anderhalve dag. Enne, bedankt voor je hulp vandaag!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *